Dat komt door de manier waarop ons belastingsysteem is geregeld. Dat systeem kent verschillende tarieven; hoe hoger het inkomen hoe hoger de belasting. Dit heet het schijventarief. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt zijn drie schijven.
In 2025 is het tarief tot een inkomen van € 40.502 17,92%. Voor het inkomen tussen € 40.502 en € 76.817 is het tarief 37,48%. Voor het inkomen boven € 76.817 is het tarief 49,50%. Zie de website van de belastingdienst voor het overzicht.
Voor 2023 is dat:
Schijventarief wanneer u vóór 1-1-1946 geboren bent
Schijventarief wanneer u vóór 1-1-1946 geboren bent
| Schijf | Belastbaar inkomen | Percentage |
|---|---|---|
| 1 | € 0 t/m € 40.502 | 17,92 |
| 2 | € 40.502 t/m € 76.817 | 37,48 |
| 3 | Vanaf € 76.817 | 49,50 |
Is uw inkomen minder dan € 40.502? Dan betaalt u 17.92%. Is uw inkomen meer dan € 40.502 maar minder dan € 76.817? Dan betaalt u 37.48% belasting over alles boven de € 40.502. Op het volledige bedrag krijgt u korting, dit heet de heffingskorting.
Het probleem van de bijbetaling ontstaat als u verschillende inkomsten heeft en het totaal van die inkomsten over een tariefgrens gaat. Zeker als u een wat hoger inkomen hebt. In de loop van het jaar houden de instanties die aan u pensioen betalen al loonheffing in. Dat is een voorschot op het bedrag dat u moet betalen. De verschillende instanties houden in op het bedrag dat zij u uitkeren. Zij kunnen en mogen dan geen rekening houden met andere inkomsten.